Kabouter Tinteltje en de levende sneeuwpop

 

Tinteltje            (komt neuriënd op)  POM POM per de pom

Hè, hè, daar ben ik weer, wat een sneeuw, wat een sneeuw. Ik ben blij dat ik weer thuis ben. Het valt niet mee om met die kleine kabouterbeentjes door de sneeuw te baggeren.

 Hé, dag kinderen, zijn jullie daar allemaal? Ik had jullie nog niet eens gezien. Het is ook een donkere avond hoor. Gelukkig komt straks de maan op, dan zal het wel lichter worden. Oh ja, dat is ook zo, jullie weten nog niet wie ik ben. Nu dat zal ik jullie eens vlug vertellen. Mijn naam is Tinteltje. Weten jullie waarom ik zo heet? Nee, dat dacht ik wel, dat weten jullie niet. Ik heet Tinteltje omdat ik altijd blij ben en dan tintelen mijn ogen, net of er sterretjes in zitten. Daarom heet ik kabouter Tinteltje. Mooie naam hè?

Kabouter Tinteltje begint weer over het toneel te stappen tot bij het vuur en gaat zitten op het bankje.

Tinteltje           Zie zo, ik ga eerst even mijn handen warmen bij het vuur hoor. Hier zet ik mijn lantaarntje neer, dan kunnen we tenminste zien wat we zeggen.

Hè hè, dat is lekker. Ik ben blij dat ik hier zo’n heerlijk vuurtje heb, anders was het echt koud. In mijn huisje durf ik niet te stoken want mijn kacheltje is stuk en een open vuurtje vind ik te gevaarlijk. Stel je voor dat alles in brand gaat. Oh oh, ik moet er niet aan denken.
Oh ja, dat is waar ook, daar  staat die dikke sneeuwpop nog steeds.

Hebben jullie die al gezien kinderen?
Ik gas hem nog eens van dichtbij bekijken.

 Tot de sneeuwpop.

 Jij verandert ook niets ouwe jongen, nog altijd dezelfde. Het is al een week geleden dat we je gemaakt hebben. Jonge jonge, dat was een zwaar karwei. Mijn vriendje Wijsneus heeft me geholpen, anders had ik je nooit klaar gekregen.
Wat is hij leuk hè jongens met die wortelneus. We hebben de grootste wortel genomen die we vinden konden.
Hé Wortelneus zeg eens wat. (pakt hem bij de neus) Nee hoor, hij verroerd geen vin. Jammer hè kinderen, hij kan niet praten.
Wat zou het leuk zijn als die Wortelneus kon praten. Ja en wat zou ik  dan gezellig kunnen babbelen met hem. Nou ja, er is niets aan te doen. Ik ga dan alleen maar kijken naar hem, dat is ook leuk.
Dag dikkertje, ik ga weer naar het vuur hoor. Dat is niets voor jou, dan zou je smelten.

 (zit weer bij het vuur)

 Hé, wat is dat, het gaat weer sneeuwen, zou de winter nu nog niet voorbij zijn? Oh oh oh, wat verlang ik toch naar de zomer. Wat zal dat toch heerlijk zijn, als de lente komt en alles weer bloeit en groeit. Weet je wat ik zou doen als de lente komt? Dan spring ik zo hoog mogelijk in de lucht en roep ik driemaal hoera. Kijk zo. (springt en valt op de sneeuw) Au au, die sneeuw is glad, springen kun je beter op gras doen. Oh oh oh, wat deed dat zeer. Ik ga eerst maar weer even zitten.

 (een fluitje klinkt achter het toneel)

Tinteltje            O. Daar komt mijn vriendje Wijsneus aan. Ik hoor het aan zijn fluitje.

Wijsneus          Tuut, tuut, dag Tintel, hoe gaat het ermee? Wat zit je benauwd te kijken.

Tinteltje           Ha, die Wijsneus. Ja joh, ik ben gevallen in de sneeuw, maar het gaat al weer goed hoor.

Wijsneus         Je was zeker weer druk aan het hollen en springen, Tintel, want ik ken je wel. Je kan niet langer dan 5 minuten op je bankje blijven zitten.

Tinteltje          Ja, ja, je hebt gelijk Wijsneus. Ik had al zo’n lentegevoel in me en dan begin je wel eens gek te doen.

Wijsneus          Ha ha, die Tintel, een lentegevoel. Ha ha ha, midden in de sneeuw. Nou ik wil ook wel springen maar dan om mijn kleine koude voetjes weer warm te maken. Schuif eens een beetje op Tintel, dan kan ik me ook warmen bij je lekkere vuurtje.

Tinteltje          Zie je die sneeuwman Wijsneus? Wat is hij mooi hè?

Wijsneus        Ja ja prachtig is hij. Wat hebben we hard gewerkt om hem klaar te krijgen. Vooral dat zware hoofd van hem, om dat boven op zijn dikke buik te zetten. Oh oh, toen hadden we geen last van de kou.

Tinteltje           Ja ja, dat was hard werken geblazen en dat hoofd staat nog een beetje te wiegelen op zijn schouders, maar is toch blijven staan.

                      (een stem klinkt van ver)

                      Kabouters, kabouters, help eens een handje, help.

Tinteltje          Stil eens Wijsneus, ik hoor wat.

Wijsneus         Och wel nee joh, je zeurt een beetje.

Opoe Narcis     Kabouters, kabouters.

                      (Tinteltje springt op)

Tinteltje          Ja, ik hoor het weer, van heel ver, maar toch duidelijk.

Opoe Narcis     Kaboutertjes, kaboutertjes.

Wijsneus         Ja ja, je hebt gelijk. Ik hoor het ook, maar waar komt het vandaan? Het lijkt wel achter die paddenstoel. Nee hoor, niets te zien, ik snap er niets van. Stil, nog eens goed luisteren.

Opoe Narcis     Kaboutertjes, help eens een handje, ik kan er niet uit.

Tinteltje          Het lijkt wel uit mijn huisje te komen, laten we eens kijken.

                      (ze gaan op onderzoek uit en komen weer naar buiten)

Wijsneus         Ik weet het al Tinteltje, het komt vast uit dat kraaiennest daar boven in de boom.

Tinteltje          Ach, wel nee joh, het komt van beneden.

Wijsneus         Nee hoor, van boven.

Tinteltje          Niet waar. Het komt van beneden. Luiter maar, het komt uit de grond.

                      (Ze laten zich plat op de grond vallen)

 Opoe Narcis    Kabouters, help eens een handje. Ik kan er niet uit.

 Tinteltje          Hoor je wel meneertje Wijsneus, die alles beter weet? Het komt uit de grond. Maar wat is het? Oh, ik weet het al. Het is Opoe Narcis, natuurlijk Opoe Narcis, dat ik daar niet eerder aan gedacht heb.

 Wijsneus         Zou het dan die goeie ouwe Opoe Narcis zijn, die altijd veel te vroeg uit de grond komt?

 Tinteltje          Ja, natuurlijk, dat is het. Ieder jaar staat ze al heel vroeg te bloeien. Prcies onder mijn raampje. Oh, maar nu is het wel erg vroeg hoor. Het is nog veel te koud.

 Wijsneus         Blijf nog maar even slapen Opoe Narcis, het is nog veel te koud.

 Opoe Narcis     Nee, nee, nee, het is al half maart, ik wil eruit. Haal die harde grond eens een beetje los.

 Tinteltje           Help eens een handje, Wijsneus.

                       (De kabouters doen hun uiterste best en even later komt Opoe Narcis omhoog)

 Opoe Narcis     Ziezo, ziezo, daar ben ik weer. Ik heb al lang genoeg geslapen hoor. Maar wat is alles wit, de bloemen nog niet boven de grond en de bomen nog kaal. Hoe kan dat nou, waar blijft de lente dan toch? 
Laat ze toch komen en de winter wegjagen, vlug, vlug.  Het is toch tijd voor een fatsoenlijke narcis om boven de grond te komen?

Tinteltje           Ja, Opoe Narcis, het is weer hetzelfde liedje elk jaar. U bent veel te ongeduldig geweest.

Opoe Narcis     Wil jij je mond wel eens houden kwajongen, om een oude bloem de les te lezen. Als ik boven de grond wil komen, dan kom ik boven de grond.

Wijsneus         Ja, maar hoor nu eens Opoe Narcis, ziet u dan niet dat er nog een dikke sneeuwpop staat en dan is het nog geen tijd voor u.
Ga nu nog rustig een paar weekjes slapen. Wij wekken u heus wel als het lente geworden is.

Opoe Narcis     Ik wil er niet van horen.

Tinteltje           Ja lieve opoe, het is het beste voor u. Ga maar lekker slapen , hier zullen uw mooie blaadjes helermaal bevriezen.

Opoe Narcis     Nu ja, vooruit dan maar, ik heb er niet veel zin in, maar het moet dan maar. Het komt zeker van het vuur van jullie dat het zo warm werd in de grond. Ik dacht dat het de zomerwarmte was. Maar denk erom, jullie roepen mij zodra het beter weer wordt hoor.

Tinteltje en Wijsneus          

Natuurlijk Opoe Narcis, daar kunt u op rekenen.

Opoe Narcis     Nu ja, het kan niet anders. Als het moet dan moet het.

Dan maar onder de witte sneeuwdeken. Weer slapen, slapen, slapen. Vervelend hoor. Nu dag kabouters, zullen jullie mij dan een beetje goed toedekken.

 Tinteltje          Natuurlijk opoe, wel te rusten hoor.

 Wijsneus         Dag Opoe Narcis, tot ziens hoor.

 Opoe Narcis     Wel te rusten kabouters.

 Wijsneus         Die goeie oude Opoe Narcis, wat is ze toch altijd ongeduldig.

 Tinteltje          Ja ja, ze kan gewoon niet afwachten tot het lente wordt.

 Wijsneus         Zeg Tintel, ik ga vlug naar huis om te kijken of mijn kacheltje nog brand. Ik ben zo terug hoor, dag.

 Tinteltje           Dag Wijsneus, tot straks. Zie zo, ik zal mijn vuurtje nog een beetje opporren. Een beetje warmte kan er best bij.
Ach ja, die dikke wortelneus, jammer dat hij niet spreken kan want dat zou best leuk zijn.

 Tinteltje          Hé, wie komt daar in de verte aan? Het Lijkt de tovenaar “Uk Me Duk Me Re Mi Suk Me” uit het gouden kasteel wel. Ja hoor, het is hem, ik zie het al.

                       Oh jé, ik ben altijd een beetje bang voor hem. Toch is hij niet zo kwaad als hij eruit ziet.

 Tovenaar          Ha ha ha, kabouter Tintentje, wat zit je daar bij het vuurtje, het lijkt wel of je erin wilt kruipen, zo dicht zit je erbij. Ha ha ha, last van de kou jochie?

                       (Tinteltje staat op en maakt een buiging)

 Tinteltje          Goeden avond grote tovenaar. Ja ik heb last van de kou. Wij kabouters zijn zo klein, het lijkt wel of de koude gure wind dwars door ons heen wil blazen.

 Tovenaar         Ja, ik heb wel gelijk. Jullie zijn niet veel waard ha ha ha ha. Maar toch wel leuk dat jullie wat leven en beweging brengen want anders was het een dooie boel hoor ha ha ha ha. En wat is dat voor dikke seigneur, die daar staat?

 Tinteltje          Dat grote tovenaar Uk Me enzovoort is een sneeuwpop die ik samen met mijn vriendje Wijsneus heb gemaakt.

 Tovenaar         Ha ha, knap gedaan, dat moet ik zeggen. Ha ha, hij lijkt wel levend.

 Tinteltje          Oh grote tovenaar Uk Me, dat zou ik toch zo graag willen, dat hij levend wordt.. Dan zou ik fijn met hem kunnen spelen en babbelen.

 Tovenaar         Ha ha, die Tintel. Ik vind jou een aardig ventje en om je een plezier te doen zal ik mijn grote toverkunsten eens toepassen. Kom maar eens mee ha ha ha.

 Tinteltje          O, grote tovenaar Uk Me …….. wat gaat er gebeuren?

 Tovenaar         Dat zal je wel zien ha ha ha.

 Tinteltje          Vindt u het goed dat ik niet erg dicht bij blijf. Ik vind het een beetje eng.

 Tovenaar         Ha ha die Tintel, het is goed hoor, ga maar een beetje opzij.
Nou daar gaat ie dan:

                      Abacadaki, abacadoeki, abacadas
Ik wou dat je levend was ……………….
Abacadaki, abacadoeki, abacadingen
Jij kan zingen en springen ………………
Abacadoeki, abacamoeki, abacaworst
Jij krijgt honger en dorst ……………….

Abacadaki, abacadoeki, abacadijn
Jij zult niet meer smelten, maar levend zijn ………

 Ha ha ha

 Tinteltje          O grote tovernaar Uk Me …. Ik zie hem nog niet bewegen, is het nu echt gebeurd.

 Tovenaar         Ha ha ha, wacht maar eens af ongeduldig mannetje, dan zul je wat zien. De toverspreuk moet even doorwerken.

                       Dag Tintel, veel plezier ermee. Ha ha ha ha.

 Tinteltje          Dag grote tovenaar Uk Me …… wel bedankt hoor.

 Tinteltje          Oh, zou het nu echt gebeuren? Ik vind het zo griezelig.

                       Misschien begint de toverspreuk dadelijk te werken.

                       Hé, ik sta nog te trillen op mijn beetjesm zo bang was ik tijdens de bezwering. Zal ik hem eens aanraken? Ik durf eigenlijk niet.

                       Nu vooruit dan maar, daar gaat ie …. Een .. twee .. drie ….

 Wortelneus      A …… Uh ……. O ……

 Tinteltje          Ja, ja, hij leeft …. Hij praat …. Hoera. Zeg eens wat Wortelneus.

 Wortelneus      A …… Uh ……. O ……

 Tinteltje          Nee, nu niet A ….. Uh …… O …..  Je bent betoverd, je kan praten, echt praten. Toe zeg eens wat.

 Wortelneus      T .. t .. tintel .. tje.

 Tinteltje          Hoera, hij zegt mijn naam, hij zegt Tinteltje. Zeg nu eens Wortelneus, want zo heet je.

 Wortelneus      Wo .. wo .. wortelneus.

 Tinteltje          Hoera, hij zegt Wortelneus. Horen jullie dat? Maar kan je nu je nu ook echt bewegen?

 Wortelneus      Dat .. weet .. ik .. niet.

 Tinteltje          De tovenaar heeft het gezegd, probeer het eens.

 Wortelneus      Ik durf het niet, ik ben bang …. dat ik breek.

 Tinteltje          Welnee joh, we hebben je stevig gemaakt. Probeer eens. Eerst je armen dan maar.

 Wortelneus      Ja, maar ik voel me raar van binnen, er klopt iets in mijn borst. Het lijkt wel een hamertje.

 Tinteltje          Dat is natuurlijk je hart dat is gaan kloppen. Dat heb ik ook en is heus niet bijzonders. Het betekent dat je levend bent geworden en je hart klopt en je bloed stroomt. Probeer nu eens je armen te bewegen.

 Wortelneus      Ja .. ja …. Daar gaat hij dan.

 Tinteltje          O, wat leuk, hij beweegt. Ik heb er een echt vriendje bij gekregen.

                       Nu nog lopen Wortelneus. Ik geef je een zetje.

 Wortelneus      Nee, niet doen, ik durf niet.

 Tinteltje          Ja hoor, je moet …. Vooruit …. Daar gaat ie.

 Wortelneus      Help …. Ik val …. Mijn hoofd …. O mijn arme hoofd.

 Tinteltje          Oh jé, je hoofd ligt er af. Nou kom op … ga maar zitten … dan zal ik het er weer opzetten.  …………  Ziezo, het is weer voor elkaar.

 Wortelneus      Het zit nog niet goed Tinteltje. Het is nog zo wiebelig.

 Tinteltje          Ik zal het nog even optillen en dan goed aandrukken.

                       Ziezo, het zit alweer. Is het nu beter?

 Wortelneus      Ja, het is toch niet zo erg als ik dacht. Ja, ja … ik durf … ik kan lopen, ik kan mijn armen bewegen en ik kan praten.

                       Maar nu durf ik ook alles. Ik ga dansen en springen net als jij Tinteltje.

                       Dans je mee?

 Tinteltje          Natuurlijk Wortelneus. Ik ben zo blij want nu heb ik een echte vriend erbij gekregen. Hoera …. Hoera.

 Wortelneus      Hè hè ik ben wel een beetje buiten adem. Het valt niet mee om met een dik buikje te dansen. Ja had me best wat slanker mogen maken Tinteltje.